Miet De Bruyn
Column

Helpen dragen

Had u al ooit het gevoel dat u een therapeut nodig had? Ik wel. Lang geleden kwam ik zo terecht bij een plaatselijk CGG (Centrum Geestelijke Gezondheidszorg) en na een kort intakegesprek werd mij een therapeute toegewezen. Zo haaks stond haar aanpak op wat ik mij voorstelde bij therapie, dat ik er net niet gillend ben weggelopen. U begrijpt dat het bij die ene keer gebleven is.

Een paar jaar later klopte ik vol goede moed opnieuw aan bij een therapeut. Deze keer trof ik een therapeute die zelf helemaal in de ban was van EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing). Die therapie wordt vaak toegepast bij mensen die langdurig last hebben van hardnekkig trauma. Dat had ik niet echt en in sessie twee bleek dan ook snel dat EMDR niet was wat ik nodig had.

Met heel wat minder goede moed, zocht ik een paar jaar later opnieuw een therapeut. Na de diagnose van borstkanker en de daarbijbehorende behandeling, worstelde ik met een depressie. Ik ging nu in ACT: Acceptance and Commitment Therapy. Met mijn depressie schoot het niet echt op en met de ‘acceptance’ en ‘commitment’ al evenmin. Daarom hield ik het na een vijftal sessies ook hier voor bekeken.

Een paar jaar later belandde ik bij een mannelijke therapeut, die volgens zijn website geschoold was in verschillende therapiesystemen. Dat vond ik, na mijn vorige avonturen, een heel groot pluspunt en opnieuw vol goede moed, reed ik naar de eerste sessie. Na een heel korte kennismaking vroeg hij me: ‘Wat verwacht u van deze sessie?’ Niet van de therapie (wat ik logischer zou hebben gevonden), maar van die bewuste sessie. Ik kon met geen mogelijkheid concreet antwoorden op die vraag en mijn goede moed zonk me pijlsnel helemaal in mijn schoenen. U raadt het al: ook hier bleef het bij deze ene keer.

Uiteraard ga ik in dit betoog te kort door de bocht en is dit verhaal ook alleen maar het mijne. In zijn boek ‘Het misverstand psychotherapie’ poneert Flip Jan van Oenen dat het niet uitmaakt welk systeem een therapeut hanteert: uit onderzoek blijkt dat geen enkel systeem effectiever is dan het andere. Het is wél zo dat de ene therapeut meer bereikt dan de andere. Volgens van Oenen draait het in therapie vooral om de persoonlijkheid van zowel therapeut als cliënt, over de afstemming tussen die twee en over het gezamenlijke traject dat ze samen afleggen: delen is verbinden.

Daarover gaat het ook in Shy van Max Porter. Porter werd bekend met Verdriet is dat ding met veren, een heel bijzonder boek over verlies en rouw. In Shy gaat het over de getroebleerde tiener Shy, die gebukt gaat onder angsten, nachtmerries, woede-uitbarstingen, … Muziek is het enige wat hem rust brengt. Hij loopt weg uit Laatste Kans, een instelling voor moeilijk opvoedbare jongens, waar begeleiders en therapeuten nochtans erg hun best doen voor hem. Shy wandelt de nacht in met een rugzak vol stenen. Met zijn koptelefoon luistert hij naar muziek en naar de stemmen in zijn hoofd. Stemmen van zijn leraren en zijn ouders, van de mensen die hij pijn heeft gedaan en van de mensen die proberen van hem te houden. Gelukkig ontdekt Shy in deze donkere nacht uiteindelijk ook dat hij ondanks alles niet alleen is. En dat maakt alle verschil.