Het Achterhuis, Anne Franks dagboek, is een van de meest gelezen boeken ter wereld en dat is zeker niet alleen te danken aan het aangrijpende verhaal. Het zit hem in de manier waarop Frank vertelt, haar heldere stem, scherpzinnige (zelf)kritiek en onverbiddelijk oog voor het grappige en absurde. Al na de eerste paar bladzijden is duidelijk: hier is een schrijver aan het woord. Dat Frank naast haar dagboek ook verhalen schreef zou dus niemand moeten verbazen. Pennekinderen — Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis viert Franks schrijverschap én herinnert ons aan de verschrikkingen van de holocaust. Frank stierf in februari ’45, zes maanden na haar laatste dagboekaantekening, in concentratiekamp Bergen-Belsen.
Een stapel pennekinderen
Op 7 augustus 1943 schrijft Frank: ‘Ik ben een paar weken geleden begonnen om eens een verhaal te schrijven, iets dat helemaal verzonnen is en heb daar zo’n plezier aan gekregen dat m’n pennekinderen zich opstapelen.’ In totaal zou ze veertig verhalen schrijven. Veel van die verhalen gaan over gebeurtenissen in het Achterhuis, maar er zitten ook bedenksels tussen, zoals sprookjes, en de eerste aanzet van een roman (Cady’s leven).
‘Worstdag’, bijvoorbeeld, is een kort verhaaltje over de dag waarop er worst gemaakt wordt, met meesterlijke beschrijvingen van mijnheer en mevrouw van Pels: ‘Mijnheer van Pels was, met een schort van mevrouw voor, met zijn hele dikte — hij leek veel dikker dan hij was — bezig met het vlees. De bloederige handen, het rode hoofd en schort, gaven hem echt het aanzien van een slager. Mevrouw deed alles tegelijk: Nederlands leren, koken, kijken, zuchten en klagen. Ze had, zo zei ze, een gebroken bovenborstrib. Dat komt ervan als men zulke idiote oefeningen bij de gymnastiek doet.’
Franks verhaal ‘Het geluk’ gaat over twee tieners die elkaar leren kennen en praten over eenzaamheid en geluk: ‘“Stoor ik je?” vroeg hij zachtjes toen hij binnenkwam.
“Welnee,” antwoordde ik, me omdraaiend, “kom gerust bij me zitten. Vind jij het niet ook wel eens fijn om zo te zitten dromen?”
Hij ging aan het raam staan, met zijn hoofd tegen het glas geleund en antwoordde: “Ja, ik droom ook vaak zo. Weet je hoe ik dat noem? ‘In de wereldgeschiedenis kijken’.”
Verrast keek ik hem aan: “Dat vind ik reuzegoed gezegd. Die zin zal ik onthouden.”
“Ja.” Nu keek hij weer met dat eigenaardige lachje, dat me altijd enigszins in de war bracht. Ik wist tenminste nooit wat hij daar eigenlijk mee bedoelde.’
Wachten tot 2033
De uitgave Pennekinderen — Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis is gebaseerd op de wetenschappelijke editie Anne Frank. Manuscripten, die sinds 2021 online toegankelijk is via annefrankmanuscripten.org in landen waar dat auteursrechtelijk is toegestaan. Overigens is het auteursrecht niet voor al Annes verhalen verlopen. Acht verhalen komen pas in 2033 in het publieke domein. Daarvan is een samenvatting opgenomen.
Vormgeving, illustraties en persoonlijke verhalen
De ruim opgezette vormgeving van Pennekinderen, verzorgd door Yolanda Huntelaar, maakt van het boek een ode aan Franks werk. Haar verhalen worden afgewisseld met citaten uit haar werk, in ‘schrijfletters’ gedrukt. Hoewel dat nergens expliciet wordt vermeld, mag aangenomen worden dat deze afkomstig zijn uit haar dagboeken.
De illustraties zijn gemaakt door wel 49 verschillende illustratoren. ‘Anne vond het jammer dat ze niet kon tekenen,’ zegt uitgever Rubinstein op zijn website. ‘Die taak hebben meer dan veertig topillustratoren uit de hele wereld op zich genomen.’ Van iedere illustrator en van de vormgever is een korte tekst opgenomen. Die teksten geven inzicht in hun belevingswereld en de manieren waarop creativiteit hen helpt om moeilijkheden te overwinnen. Huntelaars vormgeving biedt voldoende ruimte voor zoveel verschillende stijlen en teksten. De uitgave wordt nergens rommelig.
Olya Seidova, bijvoorbeeld, illustreerde de inhoudsopgave met een dromerige afbeelding waarin fantasie en werkelijkheid in elkaar overlopen. Seidova: ‘Tijdens de grootschalige invasie van mijn land Oekraïne kon ik de eerste maand geen potlood oppakken, maar later hielp het schilderen me om niet depressief te worden. Ik tekende en huilde — en alle pijn vloeide op het papier in een verhaal.’
Franks verhaal ‘Een biologieles’ werd geïllustreerd door Liana Finck. Zij tekende een klas Joodse kinderen met trefzekere zwarte lijnen en voegde precies de juiste hoeveelheid kleur toe in een verder zwart-witte illustratie. Finck: ‘Maar op een bepaalde manier, in mijn collectieve geheugen, als Joodse vrouw, als mens en als tiener die Het Achterhuis las, was ik er wel [bij]. Ik weet niet hoe ik dit in een tekening kan vangen — die pijn die door alle generaties loopt. Of als ik het zou kunnen, dan zou de tekening geen illustratie zijn van dit verhaal dat zo vreugdevol is. Dus teken ik naar een foto van een klas met Joodse kinderen in Amsterdam die ik op het internet vond. Zij kijken zo blij en lief de camera in. Ik had ze graag gekend.’
Een scherpe verrekijker
‘Sinds gisteravond heb ik iets nieuws uitgevonden en wel met een scherpe verrekijker in de verlichte kamers van de achterburen gluren. Overdag mogen onze gordijnen nooit één centimeter opzij, maar als ’t zo donker is kan dat geen kwaad. Ik wist vroeger nooit dat buren zo interessante mensen kunnen zijn, althans de onze, een paar heb ik bij de maaltijd aangetroffen, een familie was net aan ’t filmen en de tandarts van tegenover had een oude, angstige dame in behandeling.’ (Anne Frank, 28 november 1942).
Pennekinderen is geen verdrietig boek, verre van. Franks teksten zijn hoopvol en levenslustig. Helaas betekent dat niet (juist niet!) dat ze niet schrijnend zijn:









