Feline is pas verhuist naar Zutphen en woont nu in het huis waar vroeger haar opa en oma hebben gewoond. Als zij, tijdens het inrichten van haar nieuwe kamer, haar bed verschuift, valt er plotseling een luik open waarachter zich een holle ruimte blijkt te bevinden met daarin een stoffige doos. Daarin ligt een plakboek met als opschrift: ‘Ter nagedachtenis van hen die vielen, 1940-1945.’ Aan de binnenkant van de kaft staan twee namen. Eén van de twee is van haar opa. Hier wil zij meer van weten.
Nieuwe vrienden samen op avontuur
Vanaf dat moment ontvouwt zich in Wij woonden hier een prachtig verhaal over de gevolgen van de Duitse bezetting voor het dagelijks leven van joodse kinderen in Zutphen. In een krantenartikel in het plakboek van haar opa ontdekt zij dat er in het huis Oudewand 94, een straat in Zutphen, bij de zeven gezinsleden van de familie Van der Vegte tien joodse stadsgenoten van de families Krukziener en Noach ondergedoken hebben gezeten. Onvoorstelbaar natuurlijk! Feline gaat op onderzoek uit en maakt daarbij kennis met Max en Arne, die in het kader van een opdracht voor school belangstelling blijken te hebben voor hetzelfde huis. Max en Arne wonen beiden in de Beekstraat waar vroeger de pettenfabriek heeft gestaan van de Krukzieners, waarover Arne een krantenartikel gaat schrijven. Daarom zijn zij van de Pettenclub. Fenna en haar vriendin Mila sluiten zich later hierbij aan. Fenna ontdekt dat er nog een pettenfabriek in Zutphen heeft bestaan, in de Raadhuisstraat 9. Twee pettenfabrieken, is dat niet een beetje overdreven? ‘Nee’, zegt Arne en hij vertelt over zijn onderzoek voor de krant waaruit blijkt dat vroeger alle mannen en jongens een pet droegen. Zij gaan verder op onderzoek uit naar de relatie tussen de twee pettenfabrieken en komen daarbij in contact met Menno, een aardige journalist, die hen vertelt dat daar, in de Raadhuisstraat, vroeger de familie Israël heeft gewoond, een groot gezin met een joodse vader en niet-joodse moeder. Op weg naar huis en nog onder de indruk van het verhaal van Menno over de familie Israël, wijst Arne op een klein metalen plaatje in de stoep waarop staat dat daar Abraham Mozes heeft gewoond vóór hij in 1944 vermoord werd. Dit is een struikelsteen, een project van een Duitse kunstenaar om zo de slachtoffers van de oorlog te herdenken. Mila vertelt dat er bij haar in de Frans Halsstraat twee huizen staan waar negen van die steentjes liggen over de familie Meijers. Daar moeten ze natuurlijk meer van weten.
Een bijzonder drieluik
Martine Letterie heeft eigenlijk een drieluik geschreven over de lotgevallen van drie joodse families in oorlogstijd. Zij verbindt hun verhalen met elkaar door de beleving daarvan bij de kinderen van de Pettenclub bij hun naspeuringen. Door de ogen van Bram Krukziener zien wij de verwarring en het ongeloof in de familie over de Duitse inval, het leven in de onderduik, de hongerwinter en de euforie over de bevrijding. Sonja Israël toont ons de verbijstering over het feit dat zij niet meer naar dezelfde school mag als haar joodse vriendinnetje Jane, over de bizarre antwoorden op heel gewone vragen: ‘Zijn wij ook joods?’ Papa wel, maar jullie niet. Oom Sal is opgepakt omdat hij communist is. ‘Is papa ook communist?’ Jazeker, maar hij is toch joods? Angstige gebeurtenissen zoals stampende laarzen op de gang: en bonzen op de deur gevolgd door geschreeuw: ‘Wo ist dein Vater?’
David Meijers vertelt over de kille ontvangst van de overlevenden door de mensen uit hun oude omgeving en de stedelijke autoriteiten na de terugkeer uit de kampen.
Verplichte literatuur voor scholieren
De buitengewoon intelligente en knappe compositie van het verhaal zorgt ervoor dat de aandacht geen moment verslapt. Door de oorlogsverhalen te laten zien door de ogen van kinderen als Bram, Sonja en David weet Letterie een optimale inleving te bewerkstelligen. Daarnaast laat Letterie je meeleven met de verwarde gevoelens van de kinderen van de Pettenclub en met hun verlangen naar avontuur tijdens hun speurtocht naar het verleden. Razendknap! Niet onvermeld mogen blijven de prachtige illustraties van Saskia Halfmouw met de zachte, sfeervolle, verfijnde inkleuring, die ervoor zorgen dat het verhaal werkelijk tot leven komt en ook recht doet aan het historische karakter van het verhaal. Het is dan ook niet meer dan vanzelfsprekend dat ook haar naam op de omslag van het boek vermeld staat. Dit boek zou eigenlijk verplichte leeskost moeten zijn voor alle leerlingen in de onderbouw van de middelbare school.









