Meteen zag ik in mijn gedachten welk boek ik voor mijn kleinzoon moest kopen toen hij in een videotelefoongesprek tegen me zei dat zijn tranen van verdriet net zo groot waren als de oren van een olifant.
‘Maar aan het einde van het jaar, als het hier in Nederland winter en koud is, ben ik terug, schattebout,’ zei ik terwijl ik de titel van het boek probeerde te herinneren en zo over zijn verdriet heen walste. ‘Dan zijn we weer maandenlang elke dag samen, want in december is het in Australië zomervakantie en dan gaat oma heel veel van jou en van de Australische zon genieten, terwijl mama en papa werken. En tot die tijd ga je leuke dingen doen op school en dan ga je oma daar allemaal over vertellen.’
Assertief en uitstekend in staat zijn gevoelens te verwoorden, benadrukte mijn nu vijfjarige kleinzoon: ‘De oren van een olifant zijn anders heel groot hoor en zijn slurf spuit nog meer tranen uit. Ik wil met jou spelen, Oma. Wist je dat ik nu Auskick doe en dat jij nog helemaal niet op het veld gekeken hebt? Ik heb ook een heel mooi voetbalshirt.’
Ik realiseer me met een schok dat ik niet eens precies weet wat Auskick is en dat ik in deze paar weken na aankomst in Nederland al niet meer op de hoogte ben van de dagelijkse gebeurtenissen in het leven van mijn kleinzoon.
‘In het mobieltje met jou praten is maar eventjes leuk, Oma, wist je dat niet soms? Nu moet ik met jou praten en soms wil ik dat niet, dan wil ik gewoon dat je in huis bent, zonder te praten.’
Olifantenmoeilijk en olifantengoed
Ik slik mijn tranen weg. Afscheid nemen is olifantenmoeilijk, dat weet ik maar al te goed en afscheid nemen van het allerliefste kleinzoontje is super pijnlijk. Steeds weer beredeneer ik voor mezelf dat het leven uit afscheid nemen bestaat en dat ik nu ook aan mijn schattebout een oma laat zien die een eigen leven leidt, vol interessante avonturen. Een oma die niet enkel afhankelijk is van haar kleinkind om in het leven geluk toe te laten, een oma die laat zien, voordoet, dat ze olifantengoed met afscheid omgaat. Dat afscheid niet hoeft te betekenen dat liefde ophoudt, dat zijn er niet meer is.
‘We konden met elkaar spelen en we konden met elkaar stil zijn, dat is waar, lieverd,’ begin ik in een poging veel meer passend met zijn verdriet om te gaan. ‘Het is olifantenmoeilijk om elkaar te missen, daar mag je best over huilen, dikke olifantentranen, en daar mag je met mama en papa en de juffrouw van school, of iemand anders waar je van houdt, over praten. En elke keer als je verdrietig bent of juist iets leuks meemaakt, dan kun je in je hart kijken en dan voel je dat je toch altijd dicht bij degene die je mist bent. Dat is het mooie van ons hart. Ons hart kan ons bewaren, en herinneren, zoals olifanten ook haast nooit iets schijnen te vergeten.’
Olifantentroost
Ineens herinner ik me de titel van het boek: Hoe de kleine roze Olifant eens heel verdrietig was en hoe het weer goed met hem ging, geschreven door Monika Weitze en met prachtige illustraties van Eric Battut.
‘Oma gaat je een heel mooi boek sturen,’ zeg ik in de hoop te troosten. ‘Dat verhaal gaat over een kleine roze olifant die afscheid moest nemen van een goede vriend die ging verhuizen. De olifant was heel verdrietig, maar gelukkig gaf een wijze uil goede raad en de kleine olifant werd weer gelukkig.’
‘Ik ben toch niet altijd verdrietig, Oma. Dat is alleen maar soms, als ik je mis. Maar nu moet ik stoppen want ik ga weer naar Auskick. Doei.’
Met een glimlach leg ik de telefoon neer, stap even later op de fiets en rij naar de boekhandel.









