We springen op de grote trampoline in de achtertuin. Hoger en hoger. We rennen in het rond en proberen elkaar te pakken. Na vijfduizend stappen en sprongen ben ik moe en ga liggen. ‘Even een oma-moment, lieverd,’ roep ik. Mijn kleinzoon springt een paar keer over mij heen en komt dan naast me. Samen kijken we naar de donker wordende lucht en het verschijnen van de maan die vol zal zijn.
Paniek
Plotseling hoor ik paniekerig gegil naast me en van schrik ga ik rechtop zitten.
‘Wat is er? Doe je jezelf pijn?’
‘Al die beesten,’ zegt mijn kleinzoon terwijl hij verwoed met zijn armen om zich heen zwaait.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou, al die beesten die op me zitten.’ Hij wijst de kleine vliegjes en een enkele mier aan.
‘Ah, ja, oké. Die zoeken de weg naar hun eigen plekje. Misschien dachten ze wel dat jouw arm de weg naar hun huis was,’ zeg ik met een opgeluchte stem, blij dat er niets ernstigs aan de hand is. ‘Ze zijn al weg.’
Maar mijn kleinzoon lijkt duidelijk niet gerust en een momentje later schopt hij met zijn benen en slaat weer met zijn armen in het rond.
‘Wat is er dit keer?’ vraag ik terwijl ik overeind kom.
‘Nou, ze zijn er nog steeds,’ zegt hij.
‘Waar dan?’
‘Hier,’ en hij wijst naar een verdwaalde mier. ‘Ik ben bang,’ zegt hij dan.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ probeer ik.
‘Ik ben wel bang. Het wordt steeds donkerder en ik kan de mieren straks niet meer zien en dan krioelen ze overal op me.’
‘Ja, daar heb je misschien wel gelijk in,’ zeg ik.
‘En het wordt steeds maar donkerder,’ zegt hij. ‘En dan ben ik nog banger.’
‘Weet je wat?’ stel ik voor. ‘We pakken een tak, doen daar mijn sokken overheen en vegen de trampoline schoon. En dan gaan we weer op onze rug liggen en vraag ik de lucht om het grote licht aan te doen. Wat vind je daarvan?’
Mijn kleinzoon knikt verheugd en springt al van de trampoline af om vervolgens met een paar takken terug te komen. Ik haal de twee sokken, die ik uit deed toen ik op de trampoline kwam, uit mijn broekzak en een moment later vegen we de trampoline schoon.
De maan en de sterren
Als we tevreden op onze rug liggen, zeg ik na een poosje: ‘Kijk eens omhoog. Kijk eens omhoog en merk hoe de grote maan, samen met al die sterren ons licht geven? Is dat niet fantastisch? Altijd, als je naar de maan en de sterren kijkt, dan weet je dat er op de één of andere dag ergens een licht in het donker zal zijn.’
Maar mijn kleinzoon zegt niets. Hij is in slaap gevallen met de twee sokkentakken op zijn buik. En terwijl ik de schitterende maan en de sterrenhemel bewonder denk ik met plezier terug aan hoe ik vroeger mijn drie kinderen en tegenwoordig mijn kleinzoon het boek Welterusten … Kleine Beer, geschreven door Martin Waddell en geïllustreerd door Barbara Firth, voorlas. Een boek voor alle tijden en niet alleen geruststellend bij het naar bed gaan want voor veel donkere momenten is het vaak mogelijk ergens liefdevol een licht te vinden. Zoals de maan ons licht in het donker geeft.









