Leren nadenken over je plek in het gezin

Door: Adri Altink

Filosofe Stine Jensen heeft een zestiende kinderboek toegevoegd aan haar lange reeks rond thema’s als identiteit, emoties en opvoeding. Haar nieuweling gaat opnieuw over identiteit, deze keer over familiebanden in allerlei vormen en gradaties: er zijn hoofdstukken gewijd aan ouders, broers en zussen, opa’s en oma’s, maar ook aan stambomen, scheiding, adoptie en voor- en achternamen. In simpele bewoordingen geeft Jensen uitleg over situaties, afgewisseld met opdrachten, weetjes en verhalen van geïnterviewde kinderen, ondersteund door vaak cartooneske illustraties van Marijke Klompmaker.

Om te beginnen met familienamen: die hebben meer geschiedenis dan kinderen waarvoor het boek is geschreven zouden denken. Zo legt Jensen uit dat ze in Denemarken, waar ze is geboren, Stine Eilskov Jensen heette maar in de praktijk de achternaam Eilskov voerde.

Dottir
De reden daarvoor was dat zoveel Denen Jensen heten dat je gemakkelijker te vinden was als je voor Eilskov koos. Stine en haar zus wonen al lang in Nederland en deden het weer anders. Hier is Eilskov maar een rare naam en Jensen komt veel minder voor. Dus gebruiken ze hier weer hun eerdere achternaam.
In hetzelfde hoofdstuk wordt ook uitgelegd wat uitgangen van familienamen zeggen. In IJsland eindigen veel namen bijvoorbeeld op -dottir (dochter van) of -son (zoon van). Handig: je weet meteen wie de (voor)vader is. Maar ook in Nederland zijn er dingen die je te weten kunt komen door over je achternaam na te denken: Jansen heeft een voorouder gehad die Jan heette, de naam Sneekstra verwijst naar de plaats, De Jager naar een beroep en De Lange naar een voorouder die groter was dan gemiddeld.

Ouders
Veel over de herkomst van je familie valt te ontdekken als je probeert een stamboom te maken. Dat is een hele klus, maar je kunt alvast beginnen met ouders en opa’s en oma’s te laten vertellen en met hen foto’s te bekijken.
Ouders zijn er overigens ook weer in soorten: je biologische ouders, stiefouders, pleegouders, adoptiefouders. Zo kun je bloedeigen broers en zussen hebben (of enig kind zijn) maar ook stiefbroers en -zussen. Jensen laat de jonge lezer nadenken over al die situaties: Wat is jouw plaats in je gezin als je de oudste bent of juist de jongste? Wat verandert er als je ouders scheiden en je ‘bonus’-ouders en -broers en -zussen krijgt? Wat leer je van je ouders? Wat van je opa en oma? Hoe zouden kinderen in grotere gezinnen dan het jouwe zich voelen?

Slapjanus
Jensen zet her en der wat voor- en nadelen bij elkaar die je zou kunnen bedenken (meer kinderen betekent dat je misschien harder moet werken om aandacht te krijgen, maar je kunt juist ook meer delen met elkaar als je het niet met je ouders eens bent. En in een samengesteld gezin krijg je misschien wel dubbel cadeautjes, maar heb je er ook concurrentie bij). Ze doet dat allemaal losjes en dringt geen keuzes op, maar zorgt voor voldoende gespreksstof.
Jensen schrijft duidelijk voor jongere leeftijden. Voor wat oudere komt haar taal wellicht wat erg simpel over met teksten als ‘Zonder je ouders was jij er niet. Maar je ouders waren er al voor jij er was’. Grappig is dan wel weer een lange lijst met typeringen van ouders: de mijn-kind-is-geweldig-ouder, de ik-ben-de-perfecte-ouder, de te-jong-geklede-ouder, de slapjanus-ouder enzovoort. Daar heb je meteen beelden bij.

Het slothoofdstuk is met de aanhef ‘Familie is alles’ een omkering van de titel van het boek: ‘Je familie, die gaat een mensenleven met je mee, en of je het nu wilt of niet: je komt er niet zo gemakkelijk van af. En dat is ook helemaal niet zo erg (meestal dan)’.

 

Alles is familie

Alles is familie

Stine Jensen

Illustrations by: Marijke Klompmaker

Uitgever: Uitgeverij Kluitman

ISBN 9789020622898

108 pagina’s

Prijs: € 21,99

Kopen bij Libris