Monica is dertien en gaat in Elin Meijnens De blauwevinvistemster voor het eerst alleen naar opa en oma op Terschelling. Met de trein, de bus en de veerboot. Haar vader heeft het te druk met werk, een belangrijk artikel moet af, haar moeder is al jaren dood. De reis verloopt soepel tot Monica op het verkeerde station uitstapt: Harlingen in plaats van Harlingen Haven. Daar ontmoet ze een groep jongeren die ze cool vindt — Teun, Sebas, Fatma, Guusje, Belle en Ward — allemaal een paar jaar ouder dan zij. Uiteindelijk komt ze met een latere boot veilig op Terschelling aan. Toen er naar haar leeftijd werd gevraagd heeft ze gezegd dat ze veertien is.
Onheilspellend
Het is niet makkelijk te zeggen waar het in De blauwevinvistemster om draait. Een meisje dat (te) snel groot wil worden, een oma die dat moeilijk vindt. Het boek heeft de ingrediënten van een spannend avontuur, de gebeurtenissen volgen elkaar snel op. En er zit iets onheilspellends in, een dertienjarige die zich zonder toezicht in van alles stort. Wellicht is dat waar Meijnen op uit is. Op de website van de uitgever staat dat ze met haar verhalen jongeren wil bemoedigen en herkenning bieden. ‘Kies je eigen vrienden, ga je eigen weg, vraag om hulp, wees niet bang.’
Eenmaal op Terschelling komt Monica de coole jongeren weer tegen. Ze leert ze beter kennen, vooral de zestienjarige Teun, die Monica leuk vindt en hij haar. Ze gaat met hen een nacht op het strand slapen, en sleept haar nichtje en neefje daarin mee. Een nogal wild plan, gezien het grote leeftijdsverschil tussen Monica en de rest van de groep. Als lezer (misschien vooral als oudere lezer) slaat je de angst om het hart. Wat kan er niet allemaal misgaan? Hoewel dat goed afloopt — niemand wordt aangerand — blijft het ongemakkelijk. Vooral als je bedenkt dat jonge tieners risico’s vaak niet overzien.
Ook in de beschrijving van de personages zit iets ongemakkelijks, zet Meijnen hier stereotypen in of niet? Teun, de leuke jongen, heeft schattige, witblonde krullen. Fatma en Sebas worden omschreven als ‘donker’, waarna Fatma wordt neergezet als een meisje dat graag met kleine kinderen speelt en Sebas als de stoere, zwarte jongen die muziek maakt en drugs gebruikt. Wel mooi is de karakterisering van tante Aaf, de zus van opa die het vroeger goed met Monica’s moeder kon vinden en haar warm en bijna tastbaar het verhaal inbrengt:
‘“En ik zal het je nog mooier vertellen. Ga eens zitten?” Tante Aaf duwt Monica op een stoel en draait haar naar het licht. “Ik heb jouw prachtige moeder ook vaak opgemaakt. Ze heeft weleens model gezeten voor mijn opleiding. Kind, wat lijk je op haar.”’
Vinvissen zijn geen vissen
De blauwe vinvis komt meermaals terug in het verhaal, verweven met Monica’s herinneringen aan haar moeder en haar gevoelens voor Teun. Het doet vreemd aan dat dat de personages gesprekken hebben waarin blauwe vinvissen (een walvissoort) vissen worden genoemd, en hetzelfde geldt voor dolfijnen. Zeker in combinatie met de serie risicovolle beslissingen die Monica neemt, waar eigenlijk niet of nauwelijks op wordt gereflecteerd, is het net wat te veel dat het boek ook desinformatie bevat. Tieners die daar niet op letten en gewoon iets spannends wil lezen, kunnen nog steeds van het boek genieten. Zolang het maar wordt gelezen als waarschuwend verhaal in plaats van een voorbeeld van een leuke vakantie.









