In een bos staat een reusachtige boom die torenhoog naar de hemel reikt en alles onder zich in de schaduw zet. Eén van zijn takken is al sterk genoeg om een olifant te kunnen dragen. En zelfs onder de grond doordringen zijn wortels de hele aarde. Toch kijkt al het leven daar beneden vol respect naar de boom. Met aanbidding zelfs. Eekhoorns nestelen niet in hem, spechten hakken openingen in andere stammen. En de bladsnijdermieren knippen liever in blaadjes van bomen in de buurt. Allemaal niet omdat het niet in de grote boom zou mogen, maar uit bewondering voor hem.
Daarmee is pakweg de eerste helft van het verhaal van de reusachtige boom verteld die het belangrijkste personage is van Hout van Kim Crabeels en Dieter de Schutter.
Kim Crabeels (1981) heeft al zo’n twintig kinderboeken op haar naam staan die in meerdere talen vertaald zijn. Ze voert in al haar werk graag sprekende dieren op. Dieter de Schutter (1992) is illustrator voor verschillende auteurs. In een interview zei hij eens dat hij vooral sferen wil schilderen.
Inderdaad valt Hout op door zijn frisse zachte veelkleurige tinten die goed de sfeer van het verhaal weergeven: een lieflijke sfeer vooral, want iedereen in het bos houdt van Boom. Mooi is ook dat in de tekeningen veel ruimte wordt gelaten voor de korte, poëtische teksten van Crabeels, die in grote scherpe letters veel lichte kleurvlakken om zich heen krijgen. Boom krijgt geen naam, zelfs geen soortnaam. Hij is gewoon ‘Boom’. De taal is bijna teder, zoals in de verwondering van de olifant die nooit gedacht had dat een tak van Boom hem zou kunnen dragen, of in de beschrijving van de bladsnijdermieren die in ‘hun knutseluurtje’ niet knabbelen, maar ‘knippen’ in blaadjes. Af en toe is er een grapje zoals wanneer het geritsel in de bladeren ‘On-ge-loof-lijk’ wordt genoemd.
Rolstoel
In het midden van het boek wordt de dramatische wending ingezet. In een zware storm, plastisch getekend door De Schutter, breekt de sterke tak van Boom af. De dieren schieten Boom, die denkt dat hij met het verlies van zijn sterke tak, zijn kracht kwijt is, te hulp: ‘Een bos kan door veel in rep en roer staan (…) Maar er is ook rep en roer van de goede soort’. Alle dieren nestelen nu wel in de boom om dicht bij hem te zijn.
Het ‘rep en roer’ van:Boom is een metafoor voor wat de man overkwam die de inspiratie voor het boek leverde: Marc Herremans (1973), een Belgische triatleet die na een fietsongeluk in 2002 gedeeltelijk verlamd raakte en in een rolstoel terecht kwam. Hij bleef aan triatlons deelnemen door met een speciale constructie te lopen en te fietsen en met alleen zijn armen te zwemmen. Toen hij besloot te stoppen met sporten richtte hij To Walk Again op met als doel voorwaarden te scheppen om mensen met een fysieke beperking mee te laten doen in de maatschappij. Een doorzetter en een optimist dus.
Hout opent met een bijdrage van Herremans waarin deze regels: ‘Er gebeuren dingen die we niet in de hand hebben. Maar onze glimlach blijven behouden…. dat is iets wat we zelf bepalen’.
Zo is Hout een eerbetoon aan een bewonderd sportman door het verhaal van Boom:
‘Wist jij dat Boom ooit de allergrootste was?’
‘En nu niet meer?’
‘Toch wel, kleintje. Boom vond een manier.’
‘Het is zijn hart van hout. Dat krijgt geen storm ooit klein.’









