De werkplek van Mohana staat bomvol. Twee boekenwanden jeugdliteratuur, tafels, stoelen, een bank, een groot bureau, een cello en overal planten. Aan de muren hangen boekenposters en ingelijste originelen van illustraties bij haar werk. Verder verpakkingsmateriaal, rollen tape en dozen van Centraal Boekhuis, want deze werkplek is ook het honk van de redactie van Jong Literair Nederland. Hier komen de recensie-exemplaren binnen, en worden ze weer verstuurd.
In de hoek staan een gigantische gouden griffel en drie geknutselde dodo’s, allemaal sinterklaassurprises. Op de bank zitten Peer, Kai en Tante Fee, personages uit het Tijgerleesboek Peer dat eerder dit jaar verscheen. Ze trekken zich van de chaos weinig aan.
We drinken thee en gaan het hebben over schrijven, over beeldhouwen, Mohana is ook beeldhouwer, en natuurlijk over het pand waarin we ons nu bevinden, want daarover gaat het laatste boek, Herrie in huis, dat onlangs is uitgekomen.
Persoonlijk drieluik
De aanleiding van dit interview is het verschijnen van je nieuwste boek Herrie in huis. Dat is het laatste deel van wat je zelf een persoonlijk drieluik noemt, samen met Dodo en Ik heb mijn zusje kwijtgemaakt. Maar eerst schreef je voor volwassenen. Hoe ben je bij de jeugdliteratuur terecht gekomen?
‘In mijn werk voor volwassenen zocht ik vooral naar situaties die schuren, die ongemakkelijk zijn of pijn doen. De verhalen beginnen om vijf voor twaalf en ik schreef door tot één voor twaalf, de rest kan de lezer verzinnen. Absurde en nogal duistere psychologische verhalen. Na verloop van jaren kreeg ik behoefte aan hoop, aan lichter werk, en begon ik te schrijven voor de jeugd, al bleven de thema’s ernstig.
Ik onderzoek de randen van verdriet en angst bij kinderen, het verzet daartegen en de oplossingen waarmee het kind komt, zijn verdediging. Dat is nogal uit het leven gegrepen. Ik was zelf een extreem bang kind en probeer daar achteraf iets van te begrijpen.
Het drieluik waarover we het nu hebben bestaat uit drie persoonlijke boeken. De thema’s komen uit mijn leven maar de boeken zijn allerminst autobiografisch. Om een leesbaar verhaal te maken, met een begin, een midden en een hoopvol eind, wat kinderen naar mijn idee verdienen, zal ik het waargebeurde steeds los moeten laten en het persoonlijke moeten verpakken. De werkelijkheid is geen bruikbare mal voor een verhaal. Hij is vaak slepend, een herhaling van zetten; terwijl het verhaal geconstrueerd is, in zichzelf kloppend en hoopvol binnen afzienbare tijd.’
Een kind met een geheim…
Herrie in huis komt straks. Eerst over Dodo, je debuut voor kinderen…
‘Als klein meisje was ik zo verlegen dat mijn moeder zich geen raad wist. Hoe kon ze zo’n bang kind in hemelsnaam op de kleuterschool achterlaten? Ze bedacht een plan: Ik sloeg een jaar over en mocht starten in het tweede kleuterjaar, bij mijn zus. Dat werkte. Mijn zus sloeg haar arm om me heen en als iemand mij iets vroeg, gaf zij antwoord. Mijn zus was mijn woorden.
Toen zij het jaar daarop naar de lagere school ging, nu groep 3, en ik achterbleef op de kleuterschool ben ik van schrik gestopt met praten. Toen ikzelf naar de lagere moest, waar zwijgen geen optie was, ben ik gaan stotteren.’
En dat duurde je halve leven?
‘Zo ongeveer wel, en ik maakte daar een groot geheim van. Niemand mocht het weten. Dat was lastig want het lekte natuurlijk telkens uit. Geheim houden dat je stottert kan alleen als je je mond houdt en dat mocht dus niet op school.
Heel ingewikkelde tijd. Ik zocht de bibliotheek af naar een boek met een hoofdpersonage erin, een held het liefst, die stotterde. Dan konden mijn klasgenoten dat lezen en mij misschien beter begrijpen. Dat boek vond ik niet en ik besloot het zelf te schrijven.’
Dat is Dodo geworden waarmee je als jeugdauteur debuteerde in 2022.
‘Klopt. Het heeft lang geduurd voordat dat boek er was. Ik kon geen woorden vinden voor een kind zonder woorden. Pas toen ik las dat Lewis Carroll, de schrijver van Alice in Wonderland, eigenlijk Charles Dodgson heet, en Do-do zei als hij Dodgson wide zeggen omdat hij stotterde, kreeg ik een idee.
Als kind had ik mijn boek Momo willen noemen, omdat ik Mo-mo zei als ik Mohana bedoelde. Dat er al een prachtige Momo geschreven was, hoorde ik later pas.
Na mijn Charles Dodgson-ontdekking werd Momo Dodo. En ik had gelijk twee personages, een dodo, op welke manier dan ook, en een kind wiens naam begint met Do. Dat werd Dorian. Een jongen van 12.
En met twee personages had ik dialoog. Dat is belangrijk voor een jeugdboek. Een innerlijk monoloog leek me geen optie, en dialoog als je hoofdpersonage niet spreekt is problematisch. Dodo is Dorians alter ego, met hem spreekt hij wel. Al is het in gedachten.
Het verhaal begint op de eerste dag van de middelbare school. Tijdens het voorstelrondje komt Dorian niet verder dan Do-do. De klas lacht hem uit en voegt hem als Dodo toe in de klassen-app. Diep geschokt besluit Dorian nooit meer te praten. Tijdens het bezoek aan het natuurhistorisch museum de volgende dag, komt Dorian oog in oog te staan met een opgezette dodo. Hij sluit een innerlijk verbond met deze vogel, brengt hem in gedachten tot leven, neemt hem mee en bouwt Mauritius voor hem na op zijn slaapkamer. Dodo wordt Dorians beste vriend. Ze hebben een fantastische tijd. Met Dodo praat Dorian dus wel, daarbuiten zwijgt hij. Na verloop van tijd wordt het Dorian duidelijk dat dit geen oplossing is. Hij wil terug de mensenwereld in en zal afscheid moeten nemen van Dodo.’
En loopt dat goed af?
‘Misschien niet echt goed, maar wel hoopvol. Op de laatste pagina stottert Dorian nog steeds, maar zijn geheim is uitgelekt. Zijn nieuwe klasgenoten weten er nu van. Dat alleen al geeft rust.’
Ook voor jou begrijp ik, want je staat opeens voor grote groepen.
‘Het schrijven van Dodo heeft me zeker goed gedaan. Ik vond dat ik Dorian verplicht was ermee naar scholen te gaan. Wie weet hebben andere kinderen iets aan dit verhaal. Dat ging in het begin niet zo fantastisch, maar ik deed het wel. Inmiddels ben ik gewend om te spreken voor een groep en ben ik er niet meer mee bezig of het goed zal gaan, of minder goed. Wat Dorian in 6 weken leert, kostte mij tientallen jaren.’
Een moeder die haar ochtendjas niet uit wil en een watervaste stift
Na Dodo kwam Ik heb mijn zusje kwijtgemaakt, over Kos die zijn zusje Soof van nul in het park onder een struik verstopt en haar niet meer terug kan vinden. Een boek dat tussen de regels door ook over een postnatale depressie gaat.
‘Bij het schrijven van Ik heb mijn zusje kwijtgemaakt, bleef de moeder van Kos dag in dag uit in haar ochtendjas op de bank liggen, terwijl Kos naar zijn eigen idee voor zijn zusje moest zorgen. “Mama heeft al haar vrolijkheid in de baby gestopt en is zelf gaan huilen.”
Ik was eigenlijk bezig een heel ander verhaal te schrijven maar dit thema drong zich zo op dat ik een lijn aan het verhaal heb toegevoegd. Dat kinderen die laag er niet altijd uithalen maar vooral een vrolijke en heel spannende roadmovie lezen, vind ik niet erg. Er sijpelt vaak toch iets door van wat ik bedoel. En de voorlezende ouders kunnen, als ze willen, het thema bespreken.’
En Herrie in huis, de laatste van de drie, speelt in het pand waar we nu zitten…
‘Na mijn scheiding ben ik in een woongroep beland. Jaren later dachten de vader van mijn kinderen en ik: waarom doen wij dat zelf niet? Toen hebben we dit pand gekocht, oud maar groot. We delen een gemeenschappelijke etage, verder heeft iedereen zijn eigen ruimte.
Herrie in huis gaat ook over een scheiding, en over een huis waarin iedereen zijn plek zoekt en vindt. Ik heb dit als kind niet zelf meegemaakt maar mijn dochters wel. Nu probeer ik te voelen w
Hippie, de hoofdpersoon, een vrolijk en avontuurlijk meisje van acht jaar, wil niet zien wat ze ziet, niet horen wat ze hoort en niet weten waar ze bang voor is: dat pap en mam het samen niet meer zo fijn hebben. Elke keer als haar ouders haar iets willen vertellen, vreest ze het ergste en buigt ze het gesprek de leuke kant op.
Hippie blijft volhouden dat de herrie in huis veroorzaakt wordt door haar kat en haar hond. Die maken ruzie, logisch, maar dat is op te lossen: met een watervaste stift deelt Hip het huis in tweeën. Op die streep wordt de schutting uit de tuin geplaatst, met klimop en vogelhuisjes en al. De ene helft is voor de hond, de andere voor de kat. Hippie weet ook pap en mam elk aan één kant van de schutting te houden, pap is tenslotte een kattenmens en mam een hondenmens. Het werkt eigenlijk uitstekend! Maar dan krijgt mam een nieuwe vriend. En die vriend heeft een zoon, Pedro!’
Dat zijn drie zware thema’s. Hoe probeer je deze verhalen dan toch licht te houden?
‘Doldwaze humoristische avonturen leven minder in mij. Ik schrijf klein, in ernst. De humor, die ik heel belangrijk vind, vooral in boeken met serieuze thema’s, zoek ik in de scherpte van de karakters, in de dialogen, in de opeenvolging van de scènes en de spontaniteit van de beelden, meestal niet in de verhaallijn zelf.
Mijn boeken lijken niet erg goed af te lopen: Dorian stottert nog steeds. Kos’ moeder is nog niet genezen en loopt nog altijd op sloffen al heeft ze in het laatste hoofdstuk wel weer een jurk aan in plaats van een badjas. Hippies ouders blijven niet samen. Toch komen er oplossingen. Die liggen vooral op het vlak van acceptatie, verbinding maken en vertrouwen. Altijd is er vreugde aan het eind. En opluchting. Ook in een niet perfecte situatie, kan je vrede vinden.’
Je werk gaat ook over communiceren, over taal.
‘In Dodo trekt Dorian zich terug in zichzelf en praat niet meer. In Ik heb mijn zusje kwijtgemaakt rent Kos van schrik weg en is hij niet in staat terug te gaan en de vragen die hij leest in de ogen van zijn ouders te beantwoorden. Hippie kletst ontzettend veel, maar alleen over de dingen waarin ze zin heeft. Aan wat er werkelijk speelt maakt ze geen woord vuil. Ook met haar valt dus eigenlijk niet te praten.
Met behulp van taal probeer ik orde te scheppen in het hoofd van mijn personages, en misschien ook in dat van mijzelf.
Taal maakt communicatie mogelijk en verbindt mensen met elkaar. Het is een hulpmiddel. Zonder taal kan je natuurlijk wel van alles voelen, maar niet benoemen. En dat benoemen vind ik juist zo van belang. Door te benoemen, uiteen te rafelen, te categoriseren, te analyseren, ontstaat er orde. Om iets lastigs vast te pakken, van alle kanten te bekijken, te bevragen, en er op die manier wellicht een beetje van te gaan begrijpen, is taal noodzakelijk.’
Jong Literair Nederland
‘Carolien Lohmeijer en ik kennen elkaar nog van Literair Nederland waar ik in een eerdere fase kort bij betrokken was. Drie jaar geleden hebben we onze samenwering weer opgepakt, we woonden opeens bij elkaar om de hoek.’
Dat was een goede combinatie begrijp ik, Carolien kende Literair Nederland en jij was thuis in de jeugdliteratuur.
‘Het paste perfect. Carolien en ik delen met veel plezier de hoofdredactie. Jong Literair Nederland starten was een erg leuke klus. Literair Nederland bestond toen al meer dan twintig jaar. We hoefden er alleen maar een wagon achter te hangen. De structuur en de ervaring waren er al.
Het aantal bezoekers van de site neemt gestaag toe, het aantal recensenten ook. Alleen al van Jong Literair Nederland zijn dat er nu al meer dan twintig en de redactie bestaat inmiddels uit vijf mensen. We zijn, als ik me niet vergis, het enige online platform waar recensies door een redactie geredigeerd worden. Wij vinden het belangrijk dat recensies goed en zorgvuldige geschreven zijn, dat de recensent zoekt naar de bedoeling van de schrijver, het verhaal en de structuur analyseert en zich niet enkel richt op de inhoud, gevolgd door een mening.’
Het grote dilemmaspel, beeldend kunstenaar of schrijver?
‘Het is voor mij geen keuze, het is vooral de combinatie. Beide zijn het creatieve processen. Maar schrijven is rationeel en 
Schrijven en beeldhouwen hebben elkaar ook op een andere manier gevonden. Ik maak regelmatig schrijversportretten in brons. Dat begon met een portret van Witold Gombrowicz, mijn grote literaire held. Dit beeld is gekocht door de vertaler van zijn werk, Paul Beers, en geschonken aan de weduwe van de schrijver, Rita Gombrowicz. Voor boekwinkel Buddenbrooks in Den Haag, maakte ik Thomas Mann. Voor het Literatuurmuseum Arnon Grunberg. In het kinderboekenmuseum staat De kleine kapitein in brons. Pippi Langkous is naar Museum Beelden aan Zee. Dik Trom staat in mijn boekenkast, naast Dodo. Kleine en grote beer en Hazeltje liggen bij de gieter, Nils Holgersson, Lampje en Bob Popcorn zijn in de maak.’
Als laatste, welk boek…?
‘Elk boek, elk verhaal waaraan ik werk vind ik bijzonder. Ik schrijf met veel plezier en liefde. Ik vind het nooit saai, nooit vervelend. Elk boek is complex op zijn eigen manier, maar het is me nooit teveel om te schrappen, te herschrijven.
Ik houd van allemaal om een andere reden. Maar Dodo heeft wel iets heel speciaals, omdat het mij doet denken aan mijn jeugd. Bovendien zette Dodo de deur open naar de jeugdliteratuur. Een fijne en warme wereld waarin ik inmiddels met veel plezier mijn plek heb gevonden!
Maar nu is Herrie in huis even de lieveling. Mijn laatste boek. Heel even, want Oma is een tasje rammelt al aan de deur.’












