Met Kinderen van de straat is er een nieuw boek verschenen van Zilveren Griffel-winnaar Xavier-Laurent Petit. Deze Franse auteur schreef dit boek eerder dan het bekroonde boek De zoon van de berentemmer. In 2005 verscheen het in Frankrijk onder de titel Maestro! Nu ligt de Nederlandse vertaling van Maestro! ook in de winkel. En dat is een aanwinst. Dat Xavier-Laurent Petit kan schrijven wisten we al. Ook in Frankrijk won hij talloze prijzen. In Kinderen van de straat bewijst hij dat nog maar eens. Deze nieuwe uitgave leest als een trein. Het boek staat vol prettige, pretentieloze zinnen, die ook nog eens bijzonder lekker zijn vertaald (door Leny van Grootel). Begin erin te lezen en je laat het niet meer liggen. Het is een aangrijpend verhaal over dakloze en ouderloze, jonge kinderen die trachten te overleven in een dictatoriaal regime, waar de genadeloze macaco’s, de militaire politie, je zomaar kunnen oppakken.
Een dictatuur door de ogen van een straatjongen
Xavier-Laurent Petit gaat de rauwe realiteit niet uit de weg en spaart de heftigheid van het bestaan in een Zuid-Amerikaans land, waar een dictatoriaal regime heerst, niet. De lezers krijgen de werkelijkheid mee zoals die is inclusief alle gruwelijkheden die daarbij horen. Door de ogen van de hoofdpersoon, het jongetje Saturnino, maken we mee hoe dat is en waar dat allemaal toe leidt. Geweld, intimidatie en mitrailleurs; het wordt allemaal levensecht beschreven. Zijn ouders zijn dood. Er is iets gebeurd, drie jaar geleden, waardoor Saturnino zijn woonplaats heeft moeten verlaten en alleen met zijn zusje overbleef. Later in het boek lezen we wat er gebeurd is. Krachtig wordt verteld hoe groot het verantwoordelijkheidsgevoel van Saturnino voor zijn zusje is. De openingszinnen zetten de toon: ‘Mijn kistje met schoenpoets, één deken en Luzia. Dat was alles wat ik nog bezat. En wat ik, koste wat kost, moest zien te houden.’ Samen met zijn vriend Tullidito ontdekken ze een oude verlaten en vervallen controlepost langs de startbanen van het vliegveld. ‘Dat we niet verjaagd zijn was een wonder en het zou heus wel een keer gebeuren, maar wanneer en hoe… dat kon je niet weten. Je had de beveiligers van het vliegveld, de macaco’s, of gewoon een straatbende.’
Toch stoot deze ellendige problematiek niet af om verder te lezen. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de jongen, die de wereld nu eenmaal zo aantreft als die is. Doordat hij zich bekommert om zijn vrienden, zijn zusje en later ‘de Maestro’, krijgen we ook de warme kant mee. Het is Petit goed gelukt een mooie balans te vinden tussen warmte en rauwheid.
Muziek die harten verwarmt en zielen wekt
Deze twee uitersten worden nog sterker neergezet vanaf het moment dat het verhaal een wending krijgt. Een rijke toerist die haar schoenen door Saturnino laat poetsen betaalt daar veel te weinig voor. Daar wordt hij kwaad om, waardoor hij de toerist achtervolgt en uit wraak zijn rugzak steelt. Hierdoor komt hij in handen van de macaco’s, die hem afranselen en boeien. Maar dan staat daar opeens een grote, witte man in een prachtig wit pak die het voor hem opneemt. Hij zegt de president te kennen en beveelt de militairen om Saturnino te laten gaan. Saturnino is helemaal niet gewend dat iemand aardig voor hem is en vertrouwt het niet. Al helemaal niet als deze man vraagt of Luzia zijn zusje is. Daarop antwoordt de man: ‘Jammer… ze is iets te jong. Hoewel…’. De vrees is groot dat het om een kinderlokker gaat. Het blijkt later echter een beroemde dirigent te zijn die de hele wereld heeft afgereisd voor de muziek en voor een tijd weer terug is in zijn geboorteland. Hij nodigt de kinderen van de straat uit om naar de muziekschool te komen. Daar weten ze niet wat ze horen. ‘Zijn muziek deed me iets, diep in mijn hart. Ze vlinderde, steeg op, daalde neer, golfde… Ik had het idee dat ik deel uitmaakte van wat hij speelde, dat ik me binnen in zijn instrument bevond’. Deze man, de Maestro zorgt ervoor dat de kinderen muziekles krijgen. Saturnino kiest voor de cello en krijgt daardoor les van deze aardige dirigent.
Uiteindelijk maakt de muziek iets los bij de kinderen. Hoewel ze hard en veel moeten repeteren, geeft de muziek hen hoop en warmte. Het verbindt hen met de zachte kern in henzelf die ze al zo een lange tijd verloren hadden. En met elkaar. Uiteindelijk geeft de muziekschool ook onderdak aan hen als de regentijd is aangebroken, waardoor er geen voedsel meer is te krijgen en ze ook geen geld kunnen verdienen: alle toeristen zijn weg. De Maestro geeft hen een slaapplaats en eten.
Contrast tussen rauwheid en troost
Daar tegenover zet de schrijver fragmenten neer waarin de harde alledaagsheid in al zijn facetten wordt beschreven. Er zijn protesten en opstandjes die met harde hand worden neergeslagen. Maar ook de nachten in de kou, als de muzieklessen klaar zijn. Bovendien blijft Saturnino zich afvragen waarom De Maestro bevriend was geweest met de dictator en hem gewoon rechtstreeks kan bellen met zijn telefoon. Hoe valt dat te rijmen met al die goedaardigheid?
Op deze manier blijft het contrast steeds aanwezig tussen de rauwheid van de dag en de zachtheid van de muziek, waar de kinderen zich in uit kunnen leven en aan kunnen laven. De hoop ontstaat dat de muziek hun redding kan worden van het straatleven. Het mooie aan dit boek is dat het niet zo eenvoudig en vanzelfspekend afloopt. Daar is de realiteit te sterk voor. Maar het brengt wel een ommezwaai teweeg. In het hart van de kinderen enerzijds en onder de boze inwoners anderzijds. Boos op de dictator, maar wellicht juist ook op De Maestro, die hem immers kent. Het leidt tot een ongekende opstand en een poging om de dictator te verdrijven. Dat kost mensenlevens, maar op de puinhopen van afgebrande en geplunderde gebouwen pakken de kinderen hun instrumenten op en spelen.
Een zeer lezenswaardig en soepel verteld verhaal dat de lezers meegeeft hoe het er aan toe kan gaan in zo’n land en onder dergelijke omstandigheden. Er zijn een paar ongeloofwaardigheden, zoals de manier waarop de dictator zo makkelijk aan de telefoon komt en de relatie van de Maestro met de dictator. Of het prachtige meisje in de muziekschool dat lesgeeft. Eerst is Saturnino helemaal vol van haar, maar wat later in het boek zegt hij dat de andere jongens haar aanbidden, alsof ze hem opeens niets meer doet.
Dat neemt niet weg dat de zorg voor zijn zusje, het wantrouwen, de overlevingsdrang en het opbloeien van de relatie met de Maestro en de muziek prachtig zijn neergezet en de hoofdpersoon bijzonder veel kleur geven. Lezen, dat boek!









