Miet De Bruyn
Column

Klein, kleiner, kleinst

Laatst zag ik een foto van mijn achternichtjes, waarbij vier van hen op één of ander speeltuig zitten, in een rijtje van groot naar klein. Allemaal houden ze elkaar vast. Zelfs de peuter van 2,5 houdt met mollige handjes haar babyzusje van zes maanden stevig vast. Zo mooi. Trouwens, telkens als er in deze reeks van prachtige achternichtjes en -neefje, een nieuw mensje geboren wordt, willen de peuters en kleuters de jongste telg wel plat knuffelen en wel honderd kusjes geven. In al hun enthousiasme en uitbundigheid gaat dat er niet altijd even zachtzinnig aan toe, maar het is duidelijk wèl goed bedoeld! Daarnaast gaan ze ook steevast op zoek naar een fopspeen om aan de baby’s te geven als die huilen. Of wandelt de oudste met de bijna jongste aan haar hand, terwijl ze zich bukt om op ooghoogte tegen haar te praten. Of ‘leest’ de tweejarige met gepaste intonatie een boekje voor aan de éénjarige en de baby’s. En zo kan ik nog wel even doorgaan. 

Hoe komt het dat kleine kinderen al van jongs af aan zo dol zijn op nog kleinere kinderen en vol overgave mee voor hen zorgen? Ten eerste is zorggedrag evolutionair gunstig, omdat het de samenhang van de groep en zo de overleving bevordert. Kinderen die zich al jong oefenen in dit gedrag, ontwikkelen vaardigheden die later belangrijk zijn voor ouderschap en sociale relaties. Bovendien maakt baby’s horen huilen het knuffelhormoon oxytocine vrij, niet alleen bij volwassenen, maar ook bij kinderen. Als het dan ook nog gaat om een jonger broertje of zusje, hechten kinderen zich daar meestal heel snel aan en gaan ze spontaan mee voor de nieuwe baby zorgen. Imitatie speelt ook een rol: jonge kinderen die volwassenen voor een baby zien zorgen, gaan dat nadoen. Daarnaast kan het zorgen deel uitmaken van hun fantasiespel: voor jonge kinderen is er niks zo heerlijk als ‘mama en papa spelen’. Kinderen vinden het bovendien ook fijn om zich nuttig te voelen. Door te helpen met iets belangrijks, zoals zorgen voor een baby, krijgen ze het gevoel dat ze erbij horen en ertoe doen.

Tot mijn grote verbazing heb ik, na lang zoeken, welgeteld één kinderboekje gevonden, dat ècht over dit onderwerp gaat. Heel vreemd vind ik dat. Tig boekjes en boeken zijn er te vinden over moeilijke situaties en problemen waarmee kinderen geconfronteerd kunnen worden. Dat is natuurlijk goed, want uiteraard maken kinderen heftig ruzie, zijn ze soms flink jaloers en overkomen hen daarnaast helaas ook echt vreselijke dingen. Dat herkennen in boeken, is vanzelfsprekend een grote meerwaarde. Maar dat klein zorgt voor kleiner en kleiner voor kleinst, is ook waar, is ook herkenbaar en willen die kleintjes ook terugvinden in boekjes; die helaas dus nauwelijks te vinden zijn. Waarom eigenlijk niet? Vinden de meeste auteurs dit onderwerp te zoet, te gewoon? Moet een (kinder)boek altijd conflict en/of veel dramatiek bevatten om geslaagd te zijn? Hebben kinderen niet ook recht op goed escapisme? Misschien een ideetje voor een kinderboekenauteur? 

In Baby en ik van Emma Dodd, uit het Engels vertaald door J.H. Gever, zorgt een klein meisje voor haar babypop: flesje geven, luier vervangen, wandelen in de wagen, … En als ze daarmee klaar is, gaat ze mama helpen met de nieuwe baby. Wat stereotiep misschien, maar Baby en ik is een speels en herkenbaar kartonboekje met schuifjes, flapjes en zachte lapjes, waarmee van alles kan worden gedaan. Zo raakt het flesje leeg, kan de luier om de billetjes van de pop geknoopt worden en zwemt het eendje vrolijk in bad. Leuk, interactief boekje voor peuters en kleuters, vrolijk escapisme voor klein, kleiner en kleinst.