Petronella Catharina
Column

Dozen vol liefde

In alle kamers van mijn huis staan volgepakte dozen. In de slaapkamer is mijn bed gedemonteerd en ligt het matras verdrietig te zijn op de grond. Een verfrommelde slaapzak tekent nog een pasgeslapen lichaam; dat van mij. De studiekamer annex huiselijke bibliotheek bezit niets meer wat op studeren of boekenlezen lijkt en de digitale piano ligt uiteen gehaald in een beschermende verhuisdoos waarin de toetsen begraven zijn. Het huis staart me aan alsof het wil zeggen: weet jij wel zeker wat je doet?

Vertwijfeling

Een traan, die tegen de afspraak van flink-zijn ingaat, ontsnapt mijn oog zodra ik me realiseer dat ik het natuurlijk niet zeker weet. En als die ene traan, tegen alle macht in, losgelaten wordt, volgen er meer.

Ik kijk nog eens naar alle dozen die de kamers vullen maar tegelijkertijd leegte en vertwijfeling uitstralen. Een leegte in mijn huisje dat ik bouwde na de dood van mijn geliefde en waarin zoveel nieuwe en mooie herinneringen groeiden.

De vergeet-me-niet doos

En dan voel ik ineens hoe een kinderhandje in mijn hand glijdt. Teder, lief, troostend. Een vijfjarige die mij troost, die mij snapt. ‘Oma, alles wat in de dozen zit gaat mee op reis. Ik ga me ook in een doos verstoppen en dan ben ik altijd bij je.’ Hij loopt de garage in en komt met een leeg karton weer terug in de kamer.

‘Wat een super goed idee van jou,’ zeg ik verheugd en open de flappen. ‘We kunnen hier allerlei spulletjes instoppen die we van elkaar niet willen missen en altijd mee op reis willen nemen. Ik wil al jouw kusjes en omhelzingen nooit meer kwijt. Zullen we die in de doos doen?’
Voor ik het in de gaten heb zit mijn kleinzoon in de doos en plakt alle binnenkanten vol met zijn kusjes.
Ik ga gehurkt op de grond zitten, omhels het kartonnen omhulsel en blaas er vervolgens mijn adem in. ‘Nu jouw adem,’ zeg ik, ‘die wil ik ook altijd bij me hebben.’ Mijn kleinzoon blaast uit volle kracht. ‘Je mag Poppejans ook hebben,’ oppert hij. ‘Dan kun je mij altijd ruiken.’ Dat is ook een goed idee en even later ligt zijn pop, die hij vanaf de babytijd in zijn armen hield, in de doos.

‘Ik ga er ons liedje in zingen,’ bedenk ik en even later zingen we samen, met onze hoofden boven de doos, ons ontbijtritueel: ’Smakelijk eten, smakelijk eten, eet maar op, eet maar op. Dat zal lekker smaken …’

‘Ik heb een trui die me niet meer past. Die mag jij hebben, Oma.’
‘Wow, wat goed bedacht van jou,’ zeg ik, ‘dan stop ik in een andere doos een trui van oma zodat jij altijd iets van mij bij je hebt. En dan doe ik natuurlijk ook al die kusjes in jouw doos.’ Een tijdlang zijn we allebei bezig persoonlijke spulletjes te verzamelen en als de dozen bijna vol zijn kijken we voldaan naar de inhoud. ‘Wij kunnen nooit meer uit elkaars hart verdwijnen, lieverd,’ zeg ik meer als bevestiging tegen mezelf. ‘Waar we ook naar toe reizen, we zijn altijd bij elkaar.’

Smakelijk eten en alles wat oranje is

Als de blik van mijn kleinzoon op het enige overgebleven boek op de grond valt, knik ik naar hem en zeg dat ik dat boek nu voor zal lezen. Een boekje vol met dierenverhalen over afscheid en geschreven door Toon Tellegen met de voor ons heel toepasselijke titel ‘Maar niet uit het hart.’
Ik lees mijn kleinzoon voor over de eekhoorn die afscheid moet nemen van de mier. De mier vertelt de eekhoorn dat als hij in brieven een uitroepteken leest dat hij dan iets van de mier zal horen.
Onmiddellijk reageert mijn kleinzoon met: ‘Dan hoor ik jou, Oma, als ik ontbijt heb en ‘smakelijk eten zing’ en dan zie ik jou elke keer als ik iets zie wat oranje is, want jij houdt zoveel van oranje.’
Ik geef mijn kleinzoon een dikke knuffel en bedenk me dat we zoveel moois tussen ons beiden hebben dat we nooit helemaal uit elkaars hart zullen verdwijnen.