Miet De Bruyn
Column

I have a dream

 ‘I have a dream’, zei Martin Luther King op 28 augustus 1963, tijdens de Mars op Washington. In zijn wereldberoemde speech pleitte hij voor meer burgerrechten en droomde hij van een VSA zonder racisme. Zijn droom raakte duizenden en duizenden mensen, en hij en zijn droom doen dat nog steeds. Dat zijn droom (nog) niet gerealiseerd is, mag ons er niet van weerhouden hem te blijven dromen.

Dromen, dat is wat de Deense toparchitect Bjarke Ingels ook doet, en niet zo zuinig. In 2020, tijdens de Corona-epidemie, tekende hij zelfs een masterplan uit voor onze hele planeet, zijn Masterplanet. Hij werd prompt beschuldigd van grootheidswaanzin en spektakelarchitectuur. Dat heeft hem gelukkig niet tegengehouden. Intussen ontwierp hij in Tokyo Woven City, een futuristische prototypestad, die een levend laboratorium moet worden voor duurzame mobiliteit, innovatie en een hogere levenskwaliteit. In de Zuid-Koreaanse stad Busan, ontwikkelde hij Oceanix City, een prototype van een zelfvoorzienende drijvende stad, als antwoord op de dreiging die de stijgende zeespiegel vormt. Daarnaast werkt hij, samen met een 3D-printspecialist, aan bewoonbare structuren op de maan, in opdracht van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. Sciencefiction? Misschien, en allicht zal niet elk van zijn experimenten slagen. Dat hoeft ook niet; het gaat erom dat dromen en ‘ja’ zeggen tegen ideeën, op zijn minst mogelijkheden schept. Zelf zegt Ingels hierover: ‘Met experimenten planten we zaadjes. De wereld heeft pioniers nodig.’ Absoluut!

Niet alleen pioniers dromen; we doen dat gelukkig allemaal. Zijn dromen niet precies wat ons mens maakt? Zijn wij niet de enige soort die actief en bewust kan dromen, verlangen, wensen? Is een droom niet steeds de motor die ons aan het denken zet, en aan het doen? Het maakt niet uit waar onze dromen over gaan, hoe groot of hoe klein ze zijn, of we ze waarmaken of niet, als ze er maar zijn. Als de realiteit soms ondraaglijk is, zijn het onze dromen die ons recht houden. Als we niets meer te dromen, te verlangen hebben, niets meer om naar uit te kijken, om naar te streven, waarom zouden we dan in hemelsnaam nog uit ons bed komen? Zonder dromen gaan we dood en staat de wereld stil. Dankjewel dus aan Martin Luther King, aan Bjarke Ingels en aan alle andere dromers die hun visioenen zo gul met ons delen: ze houden de wereld in beweging en ons in leven.

Over dromen gaat het ook in Wolkenstad, een fantastische jongerenroman van Anthony Doerr. Het boek volgt de verhaallijnen van Anna en Omeir in het Constantinopel van 1453, die van Seymour en Zeno in het huidige Idaho en die van Konstance, een interstellaire ruimtereizigster op weg naar een afgelegen exoplaneet in de verre toekomst. De personages worden verbonden door één gehavend exemplaar van een tweeduizend jaar oude Griekse tekst, opgetekend door Antonius Diogenes. De tekst vertelt het verhaal van de Griekse herder Aethon, die ervan droomt om in een vogel te veranderen en naar een utopisch paradijs te vliegen. Elk hoofdstuk in deze roman onthult een nieuw fragment van het oude verhaal, en samen met de verhaallijnen van Anthony Doerr wordt het stilaan een harmonisch en feeëriek geheel. Anna, Omeir, Seymour, Zeno en Konstance zijn alle vijf dromers die vindingrijk moeten zijn als ze in het nauw gedreven worden en die worstelen om te overleven. Wolkenstad gaat niet alleen over universele dromen, maar is bovendien ook een ode aan het boek als verbindende factor over generaties heen. Als dat geen droom van een boek is!