Mooie vissen in het zwembad

Door: Petronella Catharina

Als ik in deze column een ode kon brengen aan zweminstructeurs dan zou ik dat onmiddellijk doen. Gisteren bracht ik mijn kleinzoon naar zwemles en vol bewondering keek ik hoe de zweminstructrice al die spartelende armen en benen van vierjarige kleuters leidde naar gestructureerde zwembewegingen. Hoe ze de aandacht van de kinderen wist te vangen middels speelse activiteiten, zoals door een hoepel spartelen. Toen, na een half uur, de zwemles afgelopen was en ik intussen een zwempak aangetrokken had, liepen mijn kleinzoon en ik naar het ondiepe speelbad.

Oma Octopus
‘Jij bent een haai, oma,’ riep hij zodra we in het water stonden. ‘En je moet achter mij aankomen en proberen om mij op te eten.’ Hij rende al door het water en met grote hapbewegingen snelde ik achter hem aan. Een moment later was hij de haai en moest ik weg zien te komen.
‘Nou ben jij een lieve octopus, oma en je moet op je rug liggen en met je armen en benen zwaaien.’ Braaf lag ik op mijn rug en spartelde met mijn benen terwijl mijn armen in het rond zwaaiden.
‘O … O … Oma Octopus,’ schaterde mijn kleinzoon, terwijl hij naar de rand van het speelbad liep en uit de zwemtas een paar drijvende speeltjes pakte. Een rode vis, een blauwe zeester en een gele octopus.

Samen spelen, samen delen
Eén voor één gooide hij de speeltjes voor zich uit, zwemspartelde naar ze toe om ze vervolgens weer verder weg te gooien.
‘Mag ik één van jouw speeltjes?’ vroeg ineens een andere kleuter aan mijn kleinzoon. ‘Ik heb niks.’
‘De speeltjes zijn van dat jongetje,’ hoorde ik de ouder-van-de-andere-kleuter zeggen.
Mijn kleinzoon keek blij verrast naar zijn medespartelgenoot. ‘Wil je de vis of de zeester?’ vroeg hij.
‘De octopus,’ zei de andere kleuter.
‘Nee, niet de octopus want dat is mijn favoriet.’ Mijn kleinzoon verstopte de octopus achter zijn rug.
‘Die wel,’ zei de andere kleuter.
‘Nee, die niet.’ Mijn kleinzoon gaf zijn kleutergenootje de zeester. ‘Zullen we doen wie het verst kan gooien?’ Hij voegde onmiddellijk daad bij woord en gooide zijn rode vis een paar meter vooruit. De andere kleuter gooide de zeester. Beiden spartelzwommen ze naar hun speeltje en even later kwam ook de octopus in het water terecht en zwemspartelden ze om beurten als eerste naar de octopus.
‘Wat kan jouw kleinzoon goed delen,’ zei de ouder-van-de-andere-kleuter en ik realiseerde me hoe heerlijk mijn kleinzoontje het vindt om met anderen te spelen.

Een regenboog zonder kleuren
Moe van al het zwemmen en weer thuis, pakte ik het boekje van De mooiste vis van de zee, geschreven door Marcus Pfister en in het Nederlands vertaald door Nannie Kuiper.
De prachtige glinsterende schubben van de regenboogvis intrigeerden mijn kleinzoon. Hij hield het boekje dicht tegen zijn gezicht aan en probeerde zichzelf in de schubben te zien. Toen we het boek uitgelezen hadden en we napraatten over het hebben van vrienden, over delen, ijdelheid, trots, alleen-zijn, zei mijn kleinzoon: ‘Maar oma, als een regenboog alle kleuren weggeeft dan zien we toch geen regenboog meer?’
‘Daar zit wat in,’ zei ik aarzelend. ‘Je denkt heel goed na, lieverd.’
‘Hoe weet een regenboogvis dan hoeveel schubben hij weg kan geven, oma?’
‘Wat zou er gebeuren, lieverd, als de vis alles weg zou geven?’
Mijn kleinzoon denkt even na voordat hij zegt: ’Dan is hij misschien wel verdrietig.’
‘Ja, misschien wel. En wat gebeurt er als hij niks weggeeft?’
‘Dan heeft de vis geen vriendjes meer.’
‘Nee, in dit verhaal waarschijnlijk niet. En om vrienden te hebben en te houden, moeten we iets van onszelf geven en delen. Tijd met elkaar, aandacht voor elkaar en elkaar willen helpen. Leg ik het zo goed uit?’
Mijn kleinzoon zucht en slaat de armen om me heen. ‘Jij bent de mooiste regenboog-oma-vis van de planeet aarde.’
We proestten het uit van het lachen. Wat is samen lezen toch heerlijk.