Kort na elkaar, in juni en september van dit jaar, zijn twee boekjes verschenen in wat bij de uitgever een nieuwe serie zou kunnen worden onder de kop ‘Bliksemlezen’. Wetenschapsjournalist Mark Traa schrijft erin over vragen van kinderen. In het eerste deeltje ging het over dromen en slapen, zowel bij mensen als dieren, onder de titel Hoe stop je een nachtmerrie? Het tweede deeltje, Ga je echt stuiteren van suiker? bespreekt alles wat samenhangt met snoepen.
De boekjes hebben een handzaam formaat; ze passen bijna in jaszak. Handig om bij de hand te hebben als je voor een snoepkraam op de kermis staat en nog eens wil opzoeken of het slim is daar toe te happen. Van Traa is geen vermanende schoolmeester: snoepen mag, het is gewoon lekker. Maar weet wel wat er in zit.
En passant heldert hij wat misverstanden op: chocola is bijvoorbeeld niet altijd chocola. Een Koetjesreep ziet er wel zo uit, maar hij mag alleen maar cacaofantasie genoemd worden.
Traa strooit met leuke weetjes, zoals over de uitvinding van het waterijsje of het geval van de donut die uit Amerika komt: eigenlijk een gewone Hollandse oliebol waaruit het midden is weggesneden omdat daar het deeg zo moeilijk gaarde.
De leukste feitjes zijn de historische, zoals het ontstaan van het gebruik om popcorn te eten in de bioscoop. De gepofte maïs was in de tijd van de stomme film onder armen populair als snoep, maar niet in de bioscoop. Daar kwamen alleen rijken. Bovendien was het geknabbel maar irritant bij dergelijke films. Pas toen die niet alleen meer voor rijken waren kwam met het bredere publiek de popcorn het theater in. De uitbaters zouden wel gek zijn om het tegen te blijven houden. Er viel geld mee te verdienen.
Luizen
Ga je echt stuiteren van suiker gaat niet alleen over wat er allemaal in snoep zit en wat de minder leuke kanten ervan zijn, maar ook over gedrag: waarom ligt snoep in de winkel bij kassa’s als je staat te wachten? En waarom lukt het kleine kinderen zo moeilijk om bij de marshmellowtest van het snoepje af te blijven ondanks het uitzicht op extra lekkers als je dat wel lukt?
Grappig is dat oplettende jonge lezers van het boekje – zonder dat Traa daar op wijst – misschien zullen schrikken als ze lezen dat in roze koeken luizen zijn verwerkt en in gelatine gemalen botten van varkens en koeien. Eerder is in het boekje immers uitgelegd dat insecten in Afrika en Azië een delicatesse zijn, terwijl wij niks van beestjes eten moeten hebben.
Ook is grappig dat bij het stukje over pepermuntjes de Wilhelmina’s en de King worden genoemd. Dat kan de indruk wekken dat zo’n wit snoepje iets met vorstenhuizen te maken heeft. Dat is niet zo, want King staat voor ‘Kwaliteit in niets geëvenaard’. Het was leuk geweest als Traa dat erbij verteld had. Maar hij moet zijn antwoorden in het beperkte bestek natuurlijk kort houden.
Vragen
De tekeningetjes in het boekje zijn van Wendy Panders die veel meer kinderboeken illustreerde. Ze moest zich deze keer beperken tot zwart/wit, maar ze houdt het wel speels.
In het boekje staan wat opdrachtjes die kinderen bewust kunnen maken van hun gesnoep. En voor wie meer wil weten (ook over andere onderwerpen) staat achterin uitnodigend een mailadres om met vragen op de proppen te komen. Wie weet komt ook daar dan een boekje over.
Het antwoord op de titelvraag staat op pagina 62. Daar blijkt dat ouders er met hun waarschuwing soms ook naast kunnen zitten: ‘Snoep is niet goed voor je, maar je wordt er niet drukker van. Behalve als je gaat stuiteren omdat je graag een snoepje wilt hebben natuurlijk!’









