Petronella Catharina
Column

Een man-oma

Vaak zijn vragen of opmerkingen van kinderen verrassend grappig of serieus. En soms dragen ze beide elementen in zich.
Vandaag was er ineens weer zo één, grappig en serieus.
‘Oma, soms wil ik wel dat jij een man-oma bent.’
Even overweeg ik of ik mijn kleinzoon nu het begrip non-binair moet gaan uitleggen, maar ik besluit een moment te wachten en zeg na een paar seconden bedenktijd: ‘Oké, waarom wil je een man-oma, lieverd?’
Mijn kleinzoon legt uit dat zijn andere grootouders, Australische Nana en Pops, een vrouw en een man zijn, maar dat hij alleen een vrouw-oma heeft.
‘Een man-oma heet een opa. Jouw opa overleed voor jij geboren was.’
‘Is ‘ie dood?’
‘Ja, overleden betekent doodgegaan.’
‘Ik ga ook dood,’ zegt hij en hij springt van de bank en gaat plat op de vloer liggen, zijn armen en benen wijd gespreid. ‘Nu ben ik heel erg dood.’ Na een paar seconden springt hij op en roept: ‘En nu ben ik weer levend.’
‘Als je echt doodgaat, dan leef je alleen voort in de harten van de mensen die van je hielden. De liefde blijft, maar de mens zelf is er dan niet meer. Als je doodgaat dan adem je niet meer. En om te leven moet je ademen.’

Droomopa
En dan krijg ik een stortvloed van vragen over me heen.
‘Maar waar is mijn opa dan? Ik kan niet in jouw hart zien, oma. Is mijn opa daar? Doet doodgaan zeer? En waarom maak je dan niet een raam in je hart?’ Hij zucht van al zijn vragen en zegt na een moment van stilte: ‘Ik heb honger, oma.’
Terwijl ik een boterham voor hem klaarmaak, herinner ik me een prachtig boek voor kinderen over de dood, geschreven door Dolf Verroen, Droomopa. Ik las het de laatste keer dat ik op bezoek in Nederland was en besloot het niet te kopen omdat mijn kleinzoon geen opa heeft. Nu zie ik hoe kronkelig mijn gedachtegang was, want natuurlijk heeft hij wel een opa. Hij heeft hem alleen nooit gekend. Terwijl mijn kleinzoon eet, stuur ik gauw een berichtje naar een goede vriend in Nederland om me het boek alsnog te sturen.

Even later zit ik met mijn kleinzoon op de bank en vertel hem over Thomas uit de Droomopa. Bij gebrek aan het boek, vertel ik hem ook hoe sommige mensen een boom, als een herdenking aan iemand die is overleden, planten. Ik herinner hem aan het muisje dat we laatst dood in de tuin zagen en dat we samen begroeven.
‘Weet je dat nog?’
Mijn kleinzoon knikt. ‘Er groeit nu allemaal onkruid op de botten van de muis,’ zegt hij.

Een denkboom 

Als we klaar zijn met praten rent mijn kleinzoon naar buiten en roept: ‘Kom oma, je moet helpen. We gaan een denkboom voor mijn opa zoeken.’ Hij speurt over ons grootse erf dat tegen het bos aan ligt.
Mijn kleinzoon rent van boom tot boom. Als hij stilstaat bij de boom die ver achter ons huis staat, zucht hij: ‘Hier is de goede boom.’
‘Hoe weet je dat het deze boom is, lieverd?’
‘Hij is heel groot en heel oud en ik hoor hem fluisteren: ‘Dag, ik ben hier altijd voor al jouw opa-gedenken.’
‘Wat heb jij een mooie plek uitgezocht,’ zeg ik. ‘Zodra de post het boek Droomopa heeft gebracht, lezen we dat hier.’