Van zes tot acht maart vond in Oostende het jaarlijkse Non-Fictie boekenfestival FAAR plaats. Op vrijdag zes maart woonde ik het openingssalon bij, dat ging over hybride schrijven. Volgens ChatGPT verwijst hybride schrijven naar het vermengen van verschillende stijlen, genres of vormen binnen één tekst. Het is een vorm van schrijven die conventionele grenzen doorbreekt om een meer veelzijdige of persoonlijke vertelling te creëren.’ Traditioneel zijn er in het literaire wereldje juist een heleboel grenzen; onder andere tussen poëzie/proza, illustraties/of niet, kinderen/volwassenen, fictie/non-fictie … Maar wat als de grenzen niet zo duidelijk zijn? Wat als bijvoorbeeld non-fictie niet alleen objectieve informatie geeft, maar ook een persoonlijk verhaal brengt? Wat als niet zo duidelijk is wat ‘waar’ of ‘juist’ is? Wat als een boek überhaupt niet zo duidelijk is, maar een beetje flou, of heel chaotisch?
Persoonlijk denk ik dan meteen, ‘heerlijk’, want hoe minder grenzen, hoe minder beperkende labels, hoe beter, wat mij betreft. Maar zo eenvoudig blijkt het toch ook weer niet te zijn. Iemand uit het publiek merkte op dat als hij een non-fictie boek leest over bijvoorbeeld kanker, hij dan wél wil weten of wat hij leest, juist en waar is en gebaseerd op wetenschap. Uiteraard had hij gelijk. Misschien kunnen we in de literatuur wel zonder grenzen, maar toch niet helemaal zonder labels? Maar voldoen de oude labels nog wel? Is het een idee om binnen de non-fictie twee nieuwe labels te creëren, zoals ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ non-fictie?
Labels en categorieën voor boeken zijn trouwens ook gewoon nuttig, onder andere voor bibliotheken en boekhandels. Onlangs kocht ik Jij bent mijn begin van Octavie Wolters in de fantastische Mechelse boekhandel De Zondvloed. Bij het afrekenen raakte ik aan de praat met de boekhandelaars, onder andere over de vraag of al die grenzen en labels binnen de literatuur wel nodig zijn? De boekhandelaren konden zich vinden in mijn redenering, al hadden ze ook praktische bezwaren. Hoe moet het dan met mensen die een boek zoeken voor een specifiek doelpubliek, zoals bijvoorbeeld grootouders voor hun kleinkinderen? Tja … ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’, dat zei de Vlaamse auteur Willem Elsschot al in 1910. Tijdens het FAAR-openingssalon werd onder andere gepleit voor categorieën die alle genres en grenzen overstijgen en die eerder iets zouden vertellen over hoe een bepaald boek de lezer zich laat voelen. Daar valt iets voor te zeggen, lijkt me.
Dat brengt me opnieuw bij schrijver en kunstenaar Octavie Wolters, deze keer bij haar boek Dit gaat nooit voorbij. Wolters vraagt zich al haar hele leven af hoe vogels tegen de dingen aan kijken. Hoe mooi het zou zijn om met hen te kunnen praten. Dit gaat nooit voorbij is een bundel persoonlijke, poëtische verhalen over de wandelingen die Wolters maakt in de Limburgse natuur, in de buurt van haar huis. In twaalf maanden neemt ze ons mee op haar wandelingen doorheen de seizoenen. In elke maand praat ze met een andere vogel en op elke spread vinden we links de tekst en rechts een prachtige paginavullende linosnede van de desbetreffende vogel. Dit gaat nooit voorbij is een bijzonder boek. Bijzonder, omdat het een buitengewoon knap kunstwerk is én omdat het niet onder één hoedje te vangen is. Het is een schitterend prentenboek, maar niet echt een kinderboek. Toch is het ook geen graphic novel voor volwassenen. Het is van alles wat en past absoluut niet in een hokje. Wat het zeker wél is, is onvoorstelbaar mooi voor iedereen, jong én oud, die dat wil zien.









