Een stilte die maar niet voorbij gaat

Door: Huub Bartman

Mag er een deken oven me heen.
Mogen er twee dekens over me heen.
Drie, Mag ik in een kistje liggen.
Ik hoef niet dood of zo. Maar
diep, diep, diep
onderop de stapel.
En dan jaren later
maar eens kijken
of ik weer
bewegen kan.’

Tijdens een Open Podium op haar school draagt Lidewij dit gedicht voor. Zij heeft het zelf geschreven. Zij is daar zenuwachtig over, vertelt zij later tegen haar mentor, mevrouw De Kanter, met wie zij regelmatig gesprekken heeft. Als het na afloop stil blijft en er niet geklapt wordt, denk Lidewij dat haar voordracht niet in goede aarde is gevallen. Zij maakt zich snel uit de voeten en draagt geen tweede gedicht voor. Op de vraag van mevrouw De Kanter of zij het een mooi gedicht vindt, knikt Lidewij bevestigend, alleen zegt zij het zelf niet helemaal te snappen. Als mevrouw De Kanter zegt dat dat vaak de beste gedichten zijn en vervolgens vraagt of het klopt dat zij er de stem in hoort van iemand die misschien wel dood zou willen, zegt Lidewij dat dat misschien wel klopt. Als mevrouw De Kanter haar aanmoedigt daar wat meer over te vertellen, lijkt er wel iets te knappen bij Lidewij en zegt zij: ‘Ik wil niet dood. Ik wil gewoon weg zijn. Wegkruipen. Niet meer meedoen.

            Et cetera,
            Tralala,
            Joechei.’
Het is eruit.

Opa Sigaar
Lidewij is 16/17 jaar en zit in het voorlaatste jaar van de middelbare school. Hoewel zij een goede leerling is, laat haar motivatie vaak te wensen over. Zij kan zich moeilijk concentreren en vindt school gewoon heel stom. Lidewij heeft geen hoge dunk van zichzelf. Zij houdt een dagboek bij en schrijft gedichten. Lidewij heeft een speciale band met haar opa, opa Sigaar. Zo heet hij natuurlijk niet echt, Sigaar, maar Gérard, op zijn Frans: Zjeraar. Hoewel opa al tien jaar dood is, denkt Lidewij nog heel vaak aan hem. Opa kwam vroeger altijd eventjes bij haar langs, op haar kamertje. Dan kwam hij op haar bed zitten en vertelde bloedspannende verhalen over UFO’s en zo. Hij bleef nooit lang, zo’n tien minuten, hooguit een kwartiertje. Telkens als opa weg was, kwam het moerasmonster weer tevoorschijn en lachte haar keihard uit. Het moerasmonster is er na al die jaren nog steeds. Het is er altijd op uit om Lidewij te pesten en haar neer te drukken met negatieve gevoelens over zichzelf. Ook haar moeder ziet dat het niet goed gaat met Lidewij. Zij maakt zich zorgen over de band van Lidewij met haar overleden opa. Als zij op een dag vertelt dat opa vroeger, toen zij zelf nog een klein meisje was, soms ook bij haar op haar kamertje kwam, en zij voorzichtig probeert vragen te stellen over de aard van die vroegere bezoekjes van opa aan Lidewij, reageert Lidewij hevig verontwaardigd, ook omdat zij heel goed begrijpt waar haar moeder op doelt. Wat denkt haar moeder wel? Opa Sigaar ‘is de liefste opa van de hele wereld, veel liever dan jij en papa bij elkaar’.

Polaroidcamera
Lidewij heeft van opa een polaroidcamera gekregen. De fotootjes die zij daarmee heeft gemaakt, hangen nog steeds bij haar aan de muur. Op een kwade dag heeft haar moeder die fotootjes weggehaald en verscheurd. Lidewij is des duivels. Lidewij denkt, ook na tien jaar nog, veel aan haar opa en als zij de laatste tijd steeds vaker op haar weg van- en naar school bij een open plek in het bos een gouden ruimteschip in de lucht ziet hangen in de vorm van een sigaar, kent zij hieraan een speciale betekenis toe en legt zij een verband tussen de UFO en opa Sigaar. Zij besluit met haar polaroidcamera daarvan fotootjes te maken.

Lidewij heeft één hartsvriendin, Maya. Maya gaat alles gemakkelijk af. Maya is, in de ogen van Lidewij, knap, intelligent, gevat, creatief en sociaal vaardig. Maya is alles wat Lidewij ook graag zou willen zijn. Op een treinvakantie met haar naar Spanje, blijft Lidewij maar tobben over het feit dat zij gehoord heeft dat het graf van opa binnenkort geruimd gaat worden. Maya begrijpt daar niets van. Die opa is toch al tien jaar dood! Halverwege de vakantie besluit Lidewij Maya in de steek te laten en terug te gaan naar huis. Zij moet beslist nog naar het graf om foto’s te maken, nu het nog kan. Lidewij voelt zich steeds verder wegzinken in haar eenzaamheid en als mevrouw De Kanter haar op een keer vraagt om te beschrijven wat opa voor haar betekent, breekt Lidewij. Zij voelt zich steeds dieper wegzinken in haar eenzaamheid en de roep van opa in de gouden Sigaar wordt steeds sterker, zeker als zij op een dag ziet dat de UFO geland is op de open plek in het bos en er iemand uitkomt die haar wenkt dichterbij te komen.

Tim Gladdines heeft met Doe mij maar dicht een aangrijpend boek geschreven over een uiterst actueel onderwerp aan de hand van een jong meisje in de puberteit, wanhopig op zoek naar een eigen identiteit, hunkerend naar aandacht en de liefde van de mensen in haar omgeving, een meisje dat worstelt met haar gevoelens en talenten en zich doorlopend in negatieve zin spiegelt aan ‘de ander’, een meisje dat lijkt te hallucineren en rondloopt met gedachten aan zelfdoding. Het boek is goed geschreven, dicht op de huid door de fraaie gedichten van Lidewij. Het leest als een schreeuw om hulp, een schreeuw die ook daadwerkelijk geuit kan worden door gebruik te maken van de hulplijn 113, waarnaar aan het eind van het boek verwezen wordt. Het is ook een boek over een gewaagd onderwerp, dat zich er misschien voor leent om in een groep pubers te bespreken, hoewel de begeleider wel van goeden huize moet komen. Petje af voor Tim Gladdiness, die erin slaagt dit onderwerp te vatten in een heftig en spannend boek.

 

hulplijn:
0800-0113 of www.113.nl

Doe mij maar dicht

Doe mij maar dicht

Tim Gladdines

Uitgever: Uitgeverij Lemniscaat

ISBN 9789047718161

Prijs: € 16,99

Kopen bij Libris